Maatschappelijk ondernemerschap

Het middenveld is van ons, de maatschappij zijn wij

30 augustus 2012 – In de eerste bijdrage in het Public Space Middenveld Debat met als kop ‘Corporaties en maatschappelijke organisaties op Haagse snijtafels’ werden de verkiezingsprogramma’s naast elkaar gelegd en werd de conclusie getrokken: “Niemand houdt meer van het middenveld” (zie www.publicspace.nl). Dat lijkt eerder een licht populistisch geformuleerde stelling dan een gerechtvaardigde conclusie.
In het land zijn overwegend ouders te vinden die tevreden zijn met de school van hun kinderen en de meeste huurders hebben vertrouwen in hun corporatie en zijn tevreden over de dienstverlening. Dat politieke partijen meer waarborgen willen scheppen om misstanden zoals ze zich voordeden te voorkomen, wil niet zeggen dat er geen draagvlak meer is voor het middenveld. Waarom zou je het middenveld op de (Haagse) snijtafel willen leggen als je er niets mee hebt?
Ingrijpen
Zeker, het middenveld kent een aantal mankementen en daarvoor bestaan verschillende remedies. In haar analyse van de verkiezingsprogramma’s rubriceert Public Space drie soorten ingrepen: meer staat, meer markt en meer burger. Het zal geen verbazing wekken dat de mankementen volgens ons het beste op te lossen zijn door de burger meer centraal te stellen. Binnen de beperkte ruimte van deze bijdrage bespreken we drie onderwerpen: maatschappelijke inbedding, governance en schaal. Eigenlijk zijn het subonderwerpen van de overheersende kwestie: van wie is de maatschappelijke organisatie, van wie is het middenveld? We bespreken die onderwerpen vanuit onze visie op mens en maatschappij.
Vrijwilligerswerk
Mensen zijn intrinsiek gemotiveerd om een bijdrage aan de samenleving te leveren. In een christendemocratische visie komen mensen pas tot hun recht in relatie tot anderen. De samenleving is geen los zand, maar mensen maken deel uit van gemeenschappen, zoals gezin, school, werkkring, vrijwilligerswerk en allerlei verenigingen. Dat zijn de leerscholen voor burgerschap: gelegenheden om je verantwoordelijkheid waar te maken.
Leerscholen
Leerscholen voor burgerschap. Dat is de kern. In vele maatschappelijke organisaties worden burgers gevormd tot verantwoordelijke mensen die omzien naar anderen. Dit gebeurt in gezinnen en families, waar ouders vol overgave hun kinderen opvoeden en kinderen hun ouders helpen met mantelzorg, maar hetzelfde gebeurt in scholen, sportverenigingen en in de gezondheidszorg. Het lijkt soms een zwaktebod om te midden van de ‘harde’ economie terug te grijpen op de kracht van burgerschap. Maar laat niemand geringschattend doen over de kracht van burgerschap. Zeker niet wanneer je de impact ervan vergelijkt met het ordenende vermogen van wetten en marktwerking. Het probleem is dat overheidsbemoeienis hoe gedetailleerd regelgeving ook wordt, mensen niet moreel kan vormen, zoals gezin, school en vele verenigingen op terreinen als sport en religie dat kunnen.
Burgerschap
Maar wie ontketent deze leerscholen voor burgerschap? Het enige antwoord daarop kan zijn: de samenleving zelf. Wie zijn ogen de kost geeft, ziet tal van inspirerende voorbeelden. Consumenten worden steeds gevoeliger voor de invloed van hun portemonnee op een betere wereld. Sinds het mogelijk is om onderscheid te maken tussen goed en fout hout en tussen groene en grijze stroom wordt het voor individuele burgers mogelijk om hun verantwoordelijkheid te nemen. En ondernemers zullen daarop inspelen door duidelijk te maken wat de bijdrage is aan mens en milieu. Het maatschappelijk ondernemen heeft de laatste jaren dan ook een grote push gekregen (zie Hardjono en Markus (2012)). Als opvoeding tot verantwoordelijkheid een permanent proces is, dan is het de kunst om voeding te geven aan een klimaat waarin afzonderlijke burgers weten dat ze samen iets kunnen veranderen. Een civil society vraagt van burgers en ondernemers om mee te doen.
Overstroming
Een mooi voorbeeld van over de grens is het burgerinitiatief dat in Rusland ontstond om de schade van de overstroming in Krimsk te herstellen. Een door ideële opvattingen gedreven beweging die binnen 24 uur ter plekke een hulporganisatie op poten had. De gevestigde organisaties konden niet geloven dat burgers zich zo konden organiseren (dat zij niet nodig waren of niet vertrouwd werden). Een teken aan de wand is de reactie van de staat: tegenwerking. Poetin wil dat de vrijwilligers zich registreren. Door de betrokken burgers wordt dit de antivrijwilligerswet genoemd.
Moreel eigenaarschap
In zijn essay in de bundel Waardevast geeft Govert Buijs aan dat er sprake is van institutionele vervreemding van maatschappelijke organisaties. Want van wie zijn eigenlijk maatschappelijke organisaties? Van de burgers? Van de overheid? Van de klanten? Het formele antwoord dat de stichting eigenaar is voldoet niet. We zoeken naar een morele eigenaar. En in de roots van de maatschappelijke organisaties, in hun ontstaansgeschiedenis ligt het antwoord opgesloten: de gemeenschap. Maar hoe organiseer je dat de gemeenschap het moreel eigenaarschap kan uitoefenen?
Meestal wordt de term stakeholder gebruikt als het om het organiseren van draagvlak gaat. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het primaire proces (klanten, toeleveranciers), van de formele besturing (extern toezicht, ministerie) en van de maatschappelijke meerwaarde (gemeenten, buurtcomités en winkeliers). Bij de laatste hanteren we het woord ‘betrokkenen’. De term belanghebbendenvertegenwoordiging zoals die in wetsvoorstel Maatschappelijke Onderneming spreekt ons niet aan (zie Gradus (2009)). Het gaat primair om de verbinding, niet om het directe belang.
Corporatie
Woningcorporatie Stadgenoot in Amsterdam heeft in 2011 bij de overgang van vereniging naar stichting een Maatschappijraad ingesteld. Deze bestaat uit zo’n negen leden die een band hebben met bijvoorbeeld maatschappelijk werk, gezondheidszorg, onderwijs, levensbeschouwelijke organisaties, sport en recreatie, veiligheid en cultuur. Zo’n breed samengestelde raad vormt een klankbord voor het bestuur van de woningcorporatie bij het formuleren van maatschappelijk beleid. De raad heeft gekwalificeerd adviesrecht en kan het enquêterecht uitoefenen.
Pensioenfondsen
In de besturing van de maatschappelijke organisaties moet de kwaliteit van de checks and balances omhoog. We volstaan in dit artikel met het trekken van een parallel met de besturing van de pensioenfondsen. Omdat ook bij corporaties of scholen sprake is van een groot maatschappelijk belang ligt een check op de kwaliteit en integriteit door een externe toezichthouder voor de hand.
Bij het waarborgen van de kwaliteit van de raden van toezicht valt te denken aan een register. De beheerder van het register doet een toets en kan aanvullende informatie opvragen. Uiteindelijk en met waarborgen omkleed, kan registratie geweigerd worden. Daarmee ontstaat de gewenste druk op het investeren in actuele kennis en de ontwikkeling van het vak. Voor Die verantwoording vloeit mede voort uit de jaarlijkse zelfevaluatie van de raad en wordt door de collega’s mee ondertekend.
Fusietoets
Het debat over de omvang van de maatschappelijke organisaties heeft geleid tot het stellen van grenzen en fusietoetsen. Vanuit onze optiek zijn twee dingen van belang: nabijheid en verantwoordelijkheid. Om met dat laatste te beginnen: de verantwoordelijkheid mag het bestuur niet boven het hoofd groeien. Daarmee doelen we op de recente ervaringen met Amarantis en Vestia die door hun omvang ‘systeem’ organisaties werden. Organisaties mogen niet zo groot worden dat een onverhoopt faillissement het hele stelsel kan ondermijnen. De orde in eigen huis moet hersteld worden zonder andere organisaties te ‘besmetten’. Voor de corporatiesector wordt dit op dit moment (eind augustus 2012-red.) nader uitgewerkt.
Geredeneerd vanuit het fundament van het maatschappelijk middenveld definiëren wij het schaalvraagstuk als een kwestie van nabijheid. Hebben burgers invloed op de maatschappelijke dienstverlening? Ervaren ze die dienst als iets van de gemeenschap? Is er ruimte voor betrokkenheid? Is er ruimte voor eigen initiatief van burgers?
Er is niet één ideale schaal. In de trits lange, middellange en korte termijn en in de trits strategisch, tactisch en operationeel beleidsniveau zitten tal van aanknopingspunten voor bijpassende schaalniveaus. De termijnen en beleidsniveaus verschillen enorm. En acht jaar basisschool heeft een totaal andere impact op de rest van het leven dan 4 jaar HBO. Bovendien moet worden meegewogen dat sommige organisaties zoals de Drentse zorginstelling Espria heel goed in staat zijn om grootschaligheid te combineren met kleinschaligheid (www.espria.nl).
Gemeente
Tot slot, de rol van het lokale bestuur. Wij kunnen niet uit de voeten met een gemeente in termen van regisseur of dirigent. De overheid moet het stelsel zo inrichten dat de inbedding en besturing van de maatschappelijke organisaties in orde is. Dan zijn waarborgen geschapen dat de organisatie maatschappelijke meerwaarde levert. Dat zal niet in alle gevallen sporen met de visie van het lokale bestuur. Tegelijk kan de maatschappelijke organisatie niet doof zijn voor de politieke keuzen die het gemeentebestuur raad maakt. Ook hier moeten de checks and balances op orde zijn.
Verbinding
De toekomst van het middenveld staat of valt met de wijze waarop mensen daaraan inhoud geven en zich opnieuw te verbinden met de vele burgerinitiatieven. Wij pleiten voor een wettelijk kader dat de gevestigde maatschappelijke organisaties noodzaakt zich open stellen voor die initiatieven en vanuit hun professionele organisaties faciliteren. Doen ze dat niet, dan komen ze los te staan van de samenleving. Dan zal het bestaansrecht ter discussie worden gesteld en loopt men het risico opgesplitst te worden tussen staat en markt. Het maatschappelijke kapitaal dat in de organisaties is opgesloten en het maatschappelijke bestemd vermogen zal dan verloren gaan, zo is onze overtuiging. We roepen de verantwoordelijke bestuurders en toezichthouders van de maatschappelijke organisaties op om het zover niet laten komen! Het middenveld is van de burgers, van de gemeenschap, van de maatschappij. De maatschappij, dat ben jij. Het is ‘van ons’.
 
Over de auteurs
Raymond Gradus is directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA en Willem van Leeuwen is fellow bij dat Instituut. Gradus is tevens hoogleraar aan het Zijlstra Center van de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Public Space-debat Maatschappelijk middenveld
Dit is de derde bijdrage aan de discussie die Public Space voert over de rol van maatschappelijke ondernemingen. Dit debat vindt zijn aanleiding in de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen die de grootschaligheid, het gebrek aan moreel leiderschap en de bureaucratie van maatschappelijke organisaties en ondernemingen in zorg, welzijn, onderwijs en volkshuisvesting ter discussie stellen.
 
Literatuur
Buijs, Govert (2010), ‘Gespreide verantwoordelijkheid: ruim baan voor bevlogenheid en kleinschaligheid’. in: Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, Waardevast: Over de uitgangspunten van het CDA, Den Haag, blz. 14-27
NRC Handelsblad (2012), Naastenliefde zet Poetin klem, 1 augustus 2012.
Gradus, Raymond (2009), ‘De maatschappelijke onderneming. Van grote waarde’ Christen Democratische Verkenningen, Winter 2009, blz. 12-13.
Wetenschappelijk Instituut voor het CDA (2011), ‘Op zoek naar de kracht van de samenleving’. Den Haag: WI voor het CDA
Leeuwen, Willem van en Paul Simons (2012), Toezicht en de maatschappelijke onderneming: balanceren in het krachtenveld. Van Gorcum: Assen.
Hardjono, Teun en Allard Markus (eds.), Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in turbulente tijden, Van Gorcum: Assen.

Tags

Related Articles

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close
Close