Maatschappelijk leiderschap

De toekomst van de sociaal-democratie en de PvdA

De recente verkiezingsuitkomst in Duitsland, met een groot, historisch verlies voor de SPD, een gelijktijdig historische winst voor Die Linke (vergelijkbaar met onze SP), een relatief stabiele uitkomst voor Merkel (maar ook krimp!) (vergelijkbaar met ons CDA en Balkenende) en groei voor de liberale FDP (lijkend op onze VVD) moet in Nederland alle liefhebbers van een krachtige sociaal-democratische partij aan het denken zetten. Ook de voorspellingen zijn niet goed: Labour onder Brown zal fors verliezen, de peilingen voor de PvdA staan historisch laag. Wat is er toch aan de hand? Er zijn al veel analyses gepleegd, in kranten, binnen de partijen zelf, op TV. Al vanaf 2002 verschijnen er rapporten vanuit de PvdA (zoals de analyses kort voor en na 2002, de Brandende Kwesties, het rapport na de bestuurscrisis (van de commissie-Vreeman) en na de Europese verkiezingsnederlaag (van de commissie-Dijksma). Ik mis daarin telkens een zodanig fundamentele analyse dat het de PvdA ook een nieuw strategisch antwoord oplevert. Ogenschijnlijk gaan daar veel Europese sociaal-democratische partijen nu tegelijk mank aan, dat kan ook niet anders betekenen dan dat er structurele oorzaken zijn.
Ik zie de volgende structurele oorzaken voor de ogenschijnlijke neergang van de Europese sociaal-democratie

  1. In de klassieke tegenstelling kapitaal – arbeid(er) is er een ‘derde partij’ binnengetreden: management en professional. Dat is voor kapitaal even nieuw als voor arbeid. Het is ook een partij die niet per se aan de kant van een van die twee staat, maar op zichzelf staat of misschien zelfs vooral voor zichzelf werkt. Het is de nieuwe elite. De huidige financieel economische crisis is in mijn ogen vooral een crisis door en van dat management: gebrek aan verantwoording aan arbeid en kapitaal, doorgeslagen bonuscultuur, management missers. Het rapport Maas van de Nederlandse banken is een treffend voorbeeld van de – schoonveeg – visie van managers. In deze nieuwe driehoek is ook de positie van ‘de arbeider’ veel complexer en minder eenduidig geworden. Er zijn arbeidende kapitalisten, zoals professionals, winkeliers en zzp’ers. Er zijn arbeiders met aandelenpakketten. Er zijn arbeiders die ook manager zijn. Dit vertroebelt ernstig de positie van een PvdA: aan wiens kant sta je? En vooral: waar sta je in het debat over de verantwoording door deze nieuwe elite: management?
  2. De sociale zekerheid is, vooral dankzij de arbeidersbeweging, tot op zeer grote hoogte uitgebouwd en ook verankerd in rechtszekerheid. Nederland is relatief erg rijk en heeft ook een grote sociale zekerheid. In onze mondialiserende economie staat dit dus permanent onder (financieel-economische) druk en, gerekend vanuit de huidige rechten, kan het dus vrijwel alleen maar minder. Strategisch zijn er voor een PvdA hierin 2 opties: verdediging of aanval. De reflex is naar verdediging (‘pal staan’) met het grote gevaar dat je van loopgraaf naar loopgraaf achteruit gedrongen wordt. Van ontslagrecht naar AOW. Van pensioenrechten naar eigen bijdragen in de zorg etc. En ook in de beeldvorming ga je van nederlaag naar nederlaag, sterker nog: ook de partij blijft het zien als nederlagen. Grote strategische zwakte van deze lijn is vooral dat er nooit een eind aan zal komen, er is bijna alleen maar een – ogenschijnlijke – route naar ‘beneden’. De aanval biedt veel betere kansen en moet op 2 fronten worden gevoerd: een betere economische nationale politiek (want dat is de basis voor de houdbaarheid van sociale zekerheid) en creativiteit in het bedenken van betere en flexibeler arrangementen, omdat voor een deel die oude verzorgingsstaat ook om culturele en arbeidsmarkt redenen niet meer de goede is. Op beide issues hebben klassiek de liberale partijen een grotere intellectuele claim. Ik denk dat de grote stijging van de FDP kan worden verklaard uit de mening van de kiezer dat geld verdienen inmiddels (weer) komt voor geld verdelen, en dat individuele arrangementen komen voor collectief uitonderhandelde tussen de usual bobo’s! Het mislukken van het polderoverleg zal daaraan ook in Nederland bijdragen. Nog een duidelijk voorbeeld: het kiezen van de positie van Minister van FinanciĆ«n behoort tot de verdedigende linie: kijk ons het overheidsgeld (ook bij neergang) zo eerlijk mogelijk verdelen en beheren. Ik denk dat daar steeds minder appel op de kiezer vanuit gaat!
  3. De politieke stijl is tot electoraal issue geworden. Dramatiek, hyperigheid, vluchtigheid van issues, personificatie, lastercampagnes: het hoort allemaal bij de moderne beeldcultuur. Maar, zoals ik in dit weblog al meldde: de retorische theorie verklaart dit beter dan alleen media analyse. Niet opzichtigheid of schreeuwerigheid, maar de consistentie tussen boodschap en boodschapper verklaart succes. Saaiheid (Merkel) loont als de hoofdboodschap degelijkheid, soberheid en voorzichtigheid bevat. Opstandigheid (Wilders) loont als de hoofdboodschap verzet tegen de elite inhoudt. Arbeiderisme (Marijnissen) als de hoofdboodschap gaat over de eenvoudige man in de straat die weer gepakt wordt. Maar de persoonlijke profielen van de huidige voormannen van de sociaal-democratie passen moeizaam bij hun hoofdboodschap (als die al duidelijk is). In die moderne beeldcultuur lopen veel gevestigde partijen achter, maar een PvdA meer, omdat het heel erg een partij van teksten is (geworden), omdat de retorische tradities niet worden onderhouden (al gaf Wouter Bos zeker een nieuwe impuls) en omdat programmatische besluitvorming (de partij democratie) en personele selectie (de inner circles) nooit goed op elkaar zijn afgestemd.

Hopelijk gaat de PvdA in de aanloop naar de nieuwe verkiezingen volgend jaar hierover beter en indringender in gesprek. Ik mis voorlopig een breed gedragen gevoel van urgentie.

Tags

Related Articles

Back to top button
Close