artikel uitgelichtPublicatiesMaatschappelijk ondernemerschap
Nieuw kabinet: lokale teams in de jeugdzorg: koerscorrectie of bestuurlijke herhaling?
Artikel voor Nieuwsbrief Zorg & Innovatie

Deze reactie op de jeugdzorgplannen van het kabinet is geschreven vanuit het in september 2021 verschenen manifest van denktank De Jeugdsprong. Dit initiatief van FNV Zorg & Welzijn en Stichting Beroepseer kwam tot stand onder voorzitterschap van Steven de Waal.
Intro
In het Wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wil het kabinet de jeugdzorg duidelijker afbakenen en tegelijk dichter bij gezinnen organiseren via ‘stevige lokale teams’. Dat klinkt logisch. Maar bezien vanuit het manifest van De Jeugdsprong is de echte vraag niet of het kabinet de juiste woorden gebruikt, maar of het ook kiest voor de institutionele omkering die nodig is: gezinnen en professionals daadwerkelijk aan het roer, met sterke eerstelijnsteams, landelijke kwaliteitsborging en minder gemeentelijke budgetbeheersingslogica (n.b.: bronnen staan aan het eind van dit artikel met een toelichting vermeld, red.).
Sinds 2021 is er zonder twijfel veel in beweging gezet. Er kwamen nieuwe bestuurlijke afspraken, de Hervormingsagenda Jeugd (2023), voorstellen rond lokale teams, nadruk op de pedagogische basis en nieuwe pogingen om beschikbaarheid, kwaliteit en sturing te verbeteren. Maar dat betekent nog niet dat ook de kernbreuk is gerealiseerd die De Jeugdsprong voorstelde. Veel van wat nu gebeurt, blijft vooralsnog een hervorming binnen het bestaande gedecentraliseerde stelsel, niet de principiële herordening ervan die werkelijk nodig is.
De jeugdzorg is daarmee opnieuw inzet van een nationale hervormingsronde. Het kabinet wil duidelijker begrenzen wat wel en niet onder de Jeugdwet valt, en tegelijk de hulp dichter bij gezinnen organiseren via “stevige lokale teams”. Dat klinkt bestuurlijk logisch. Dit is echter geen koerswijziging, maar het onder nieuwe termen voortzetten van de bestuurlijke logica die de afgelopen tien jaar juist grote problemen heeft veroorzaakt.
Wie het huidige debat wil beoordelen, moet niet alleen kijken naar de bestuurlijke aantrekkelijkheid van woorden als “nabijheid”, “stevige toegang” en “afbakening”. De centrale vraag is fundamenteler: vanuit welke bestuursfilosofie wordt de jeugdzorg ingericht? Juist op dat punt biedt het manifest De Jeugdsprong nog altijd het scherpste beoordelingskader. Dat manifest was niet alleen een oproep tot verbetering binnen het bestaande systeem, maar vooral een kritiek op de sturingslogica die sinds de decentralisatie dominant is geworden. De kern ervan luidt immers: “Flip the system” — zet professionals en cliënten zoveel mogelijk zelf aan het roer, zodat het stelsel weer dienend wordt aan wat in concrete situaties van jeugdzorg nodig is.
De kern van De Jeugdsprong: niet aanpassen en beter managen, maar het systeem draaien naar jongeren, gezinnen en professionals zelf
De Jeugdsprong is ontstaan uit teleurstelling over het verloop van de decentralisatie (2015). Die decentralisatie werd ooit gelegitimeerd met beloften van ontkokering, nabijheid, preventie, normalisering en vroegtijdige hulp. Maar in de praktijk is dat grotendeels mislukt. Belangrijke oorzaak daarvoor is dat de decentralisatie van de jeugdzorg tot nu toe ge(lit)tekend is door structurele ontwerpfouten: geen duidelijk wettelijk kader dat een gedurfde en consistente vertaling was van de mooie beloften, in combinatie met zelfs een reductie van (overheids)middelen. Dit heeft ertoe geleid dat de schaarste aan middelen bepalend is (geweest) voor veel ontwerpen: veel gemeenten hebben de eerste lijn verambtelijkt om financiële risico’s te beheersen en gingen zich opstellen als inkoper. Deze krampachtige pogingen om financiële risico’s onder controle te krijgen, heeft op veel plekken geleid tot schadelijke de-professionalisering, versnippering en – paradoxaal genoeg, verspilling van geld. Het gevolg is dat kinderen, jongeren en ouders nog altijd niet goed geholpen zijn.
De betekenis van De Jeugdsprong ligt dan ook niet alleen in afzonderlijke aanbevelingen, maar in de onderliggende analyse. Het probleem van de jeugdzorg is niet simpelweg dat er nog te weinig voorzieningen zijn of dat de toegang nog niet efficiënt genoeg is georganiseerd of dat er te weinig budget is voor gemeenten. Het probleem is dat de bestuurlijke ordening het verkeerde centrum heeft gekozen. Niet het gezin en de professional staan nu aan het roer, maar ambtenaren en inkopers die vanuit geheel andere logica’s opereren dan de logica van ontkokering, nabijheid, preventie, normalisering en vroegtijdige hulp.
Die omkering die het manifest bepleit, is nadrukkelijk geen pleidooi voor vrijblijvendheid. Het manifest verbindt professionele ruimte juist aan duidelijke kaders, beroepscodes, richtlijnen, arbeidsvoorwaarden en een nationale, wetenschappelijke kwaliteitstoetsing en – bewaking van alle jeugdzorg interventies, zodat gemeenten en professionals weten waar ze aan toe zijn. De Denktank Jeugdsprong bestond bewust mede uit professionals en ervaringsdeskundigen zelf. Deze hadden dus ook feilloos door hoe werkelijke professionalisering en cliënten inbreng eruitziet! Professionele kwaliteit kan alleen worden bereikt met de juiste kaders voor opleiding, diplomering en permanente kwaliteitsbewaking, vanuit een concrete, wetenschappelijk zoveel mogelijk onderbouwde visie op jeugdzorg. De Jeugdsprong bepleit dus niet minder ordening, maar een ándere ordening: minder sturing via aanbesteding en gemeentelijke en bureaucratische beheersing, meer sturing via professionele infrastructuur, kwaliteit en duurzame, expliciete en toetsbare verantwoordelijkheid.
Wat betekent dat voor het huidige kabinet?
Bezien vanuit De Jeugdsprong is de kernkritiek op de huidige kabinetslijn helder. Het kabinet neemt wel enkele trefwoorden over uit eerdere hervormingsagenda’s, maar niet de bestuursfilosofie die daaronder ligt. Dat geldt in het bijzonder voor de twee pijlers waarop de nu voorgenomen koers sterk leunt: scherpere reikwijdte en stevige lokale teams.
Een scherpere afbakening van de Jeugdwet is bestuurlijk begrijpelijk. Gemeenten hebben al jaren moeite met de vraag wat precies onder hun jeugdhulpplicht valt en hoe zij daar grenzen aan kunnen stellen. Maar een versmalling van de wettelijke reikwijdte is vanuit De Jeugdsprong bezien op zichzelf geen antwoord op het kernprobleem. Het risico in het huidige stelsel is dat reikwijdte vooral wordt gebruikt om budgetgestuurd, via bureaucratische richtlijnen te komen tot goedkopere jeugdzorg. In zo’n bestel is nauwelijks ruimte voor zorgprofessionals en gezinnen om te bepalen wat hier en nu de beste jeugdzorg is. Sterker nog: juist de gewenste extra eigen inzet van gezinnen, jongeren en hun sociale systeem zelf in hun eigen hulpverlening en voor meer collectieve preventie van jeugdzorg problemen, wordt dan niet bereikt! Iets wat op termijn toch echt overheidskosten bespaart!
Hetzelfde geldt voor de lokale teams. Op papier lijken die aan te sluiten bij een belangrijke lijn uit De Jeugdsprong: een sterke eerstelijnsvoorziening dicht bij kind en gezin. Maar juist hier dreigt begripsverwarring. Want De Jeugdsprong bedoelt niet zomaar “een lokaal team”. Het manifest bepleit een stevige, gezaghebbende en deskundige eerstelijnsvoorziening waarin professionals daadwerkelijk triage, basiszorg, toegang en casemanagement kunnen verzorgen, en waarin de relatie met gezin en kind centraal staat. Bovendien veronderstelt die visie duidelijke randvoorwaarden: professioneel mandaat, duurzame organisatie, bescherming tegen bureaucratische druk en een op inhoud van zorg gerichte infrastructuur waarin kwaliteit niet telkens opnieuw per gemeente hoeft te worden uitgevonden.
Daarmee verschilt de Jeugdsprong-lijn wezenlijk van een benadering waarin lokale teams vooral functioneren als beheersinstrument. De kabinetsbronnen maken wel duidelijk dat lokale teams het eerste aanspreekpunt zijn en ook zelf hulp en ondersteuning kunnen bieden, maar laten nog veel ruimte voor verschillende uitwerkingen van hun precieze rol, mandaat en verhouding tot toegang en opschaling. Een belangrijke weeffout is onder andere dat een fors percentage van alle wijkteams zijn geïntegreerd in het gemeentelijk apparaat. De (jeugd-)zorgprofessionals die daarin werken zijn in die teams niet alleen ambtenaar – en dus deel van een apparaat dat dienstbaar is aan college en wethouder(s) -, maar ook professional – en dus deel van een beroepsgroep met een beroepscode. Deze dubbele petten-problematiek maakt dat er ook een grote spanning blijft tussen toegang en triage aan de ene kant en leveren van eerstelijns zorg aan de andere kant. In markttermen zijn dat volstrekt tegenstrijdige incentives die wantrouwen en eisend gedrag kunnen veroorzaken van ouders/ gezinnen, juist tegenover een ‘loket’ dat hun vraag en noodzakelijke zorg zo goed mogelijk wil bepalen! Immers: is bijvoorbeeld het besluit om niet door te verwijzen naar specialistische hulp de uitkomst van een professionele of van een ambtelijke afweging? Was hier een professionele, onafhankelijke inschatting aan de orde of stilzwijgende orders om binnen het budget te blijven?
Daarbij komt nog dat voor het kabinet kostenbeheersing nog steeds het overheersende doel blijft: er zijn er al weer bezuinigingen ingeboekt via invoering van een eigen bijdrage en strakkere sturing op trajectduur.
Waar de kabinetsplannen tekortschieten
Vanuit De Jeugdsprong zijn vier bezwaren tegen de huidige kabinetslijn doorslaggevend.
Het eerste bezwaar is dat het kabinet te weinig expliciet kiest voor zeggenschap van professionals en gezinnen. Het manifest maakt juist daarvan het uitgangspunt. Niet als moreel ornament, maar als organisatorisch principe. Wanneer die keuze uitblijft, blijven woorden als nabijheid en passende hulp te gemakkelijk ondergeschikt aan bestuurlijke prioriteiten zoals financiële houdbaarheid, instroombeperking en uitvoerbaarheid.
Het tweede bezwaar is dat het kabinet de gemeentelijke logica van sturing en beheersing blijft stimuleren. Het huidige beleid steunt opnieuw sterk op gemeentelijke sturing van toegang, reikwijdte en volume, zonder een principiële institutionele omkering, en daardoor blijft de beheerslogica in stand.
Het derde bezwaar is dat het kabinet het begrip “stevig lokaal team” onvoldoende ontwerpt, al zijn rond dit begrip wel keuzes gemaakt. Er worden in de MvT 3 taken genoemd: verstrekken van informatie, vraagverheldering en toeleiding en verlenen van basisjeugdhulp. Dat laatste wringt het meest als de teams zowel ambtelijk als professioneel zijn: het geeft een ‘eigen belang’ aan het lokale team. Dat wordt nog sterker met de keuze in het recente convenant ‘Stevige Lokale Teams’ om het bereik van de teams uit te breiden naar meer ambtelijke domeinen: ‘jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en andere voorzieningen’. Zonder expliciete keuze over rol, bevoegdheden, expertise en mandaat blijft het begrip slechts een containerbegrip, dat vooral wordt gekozen, omdat het zo lekker klinkt.
Het vierde bezwaar is dat het kabinet onvoldoende kiest voor landelijke borging van kwaliteit, deskundigheid en specialistische infrastructuur. De Jeugdsprong is geen pleidooi voor louter lokale vrijheid. Het manifest beklemtoont juist de noodzaak van richtlijnen, beroepscodes en een sterkere ordening van specialistische zorg. Ook het verwante voorstel Toekomst Jeugd spreekt over landelijke kwaliteitseisen, stevige poortwachters, een lerend systeem en actievere sturing op kwaliteit en kwaliteitsborging door de rijksoverheid.
Waar het kabinet wél voor zou moeten kiezen
Als het kabinet werkelijk wil leren van de afgelopen tien jaar, dan moet het niet volstaan met bestuurlijk aantrekkelijke trefwoorden. Het moet principiële keuzes maken.
De eerste keuze is dat het kabinet niet moet blijven spreken over “stevige lokale teams” in algemene zin, maar expliciet moet kiezen voor een gezaghebbende eerstelijnsvoorziening waarin professionals daadwerkelijk hulp kunnen bieden, kunnen triëren, casusregie kunnen voeren en in duurzame relatie met gezinnen kunnen werken. Niet een extra loket, maar een professionele frontlinie.
De tweede keuze is dat het kabinet professionele ruimte niet alleen moet prijzen, maar ook institutioneel moet borgen. Dat betekent: werken met beroepscodes en richtlijnen, ruimte voor praktijkwijsheid, rolduidelijkheid en bescherming van professioneel oordeel. De gevolgtrekking die daar noodzakelijk uit volgt is: geen teams met ambtenaren-professionals toestaan, maar uitsluitend teams met professionals. Diezelfde kwaliteitsvraag en vooral – borging zien we ook noodzakelijk rond organisatievormen en governance regimes van zorgaanbieders. Wij hebben nu de indruk dat ook op dat laatste vlak nationale kennisverzameling veel gemeentelijk amateurisme kan worden tegengegaan. Het inkopen van (jeugd)zorg en vooral het beoordelen en handhaafbare eisen stellen aan jeugdzorg aanbieders blijken toch meer een vak apart, dan dat we nu bij gemeenten tegenkomen.
De derde keuze is dat het kabinet sterker moet inzetten op landelijke kwaliteitskaders en publieke regie. Niet alles hoeft centraal te worden geregeld, maar op cruciale punten kan de jeugdzorg niet afhankelijk blijven van lokale variatie: kwaliteitseisen, specialistische expertise, kennisontwikkeling, leerinfrastructuur en continuïteit van zorg moeten steviger landelijk worden geborgd.
Een vierde keuze verdient nadrukkelijk aandacht. Het jeugdzorgstelsel is nog steeds te veel gedacht vanuit alleen een tegenstelling tussen staat en markt. Vanuit dat beperkte politieke en ideologische frame kwam het idee voort dat decentralisatie vanzelf beter zou werken, omdat gemeenten dichter bij burgers staan en dat aanbesteding en inkoop vanzelf tot innovatie, efficiency en betere zorg zouden leiden. Inmiddels weten we dat geen van beide waar is. De beoogde maatschappelijke opbrengsten ontstaan niet automatisch; zij vergen kennis van goede jeugdzorg, professionele ontwikkeling van alle partijen in hun nieuwe rollen, duurzame relaties ook tussen jeugdzorg en jeugd, goed bestuur en een passende institutionele vorm.
Decentralisatie nader beschouwd: drie cruciale fouten
Bij de vormgeving en implementatie van het jeugdzorgbestel vanaf 2015 zijn 3 cruciale fouten gemaakt.
Allereerst is bij de decentralisatie in 2015 de noodzakelijke ontwikkeling- en veranderingsaanpak volledig vergeten. In plaats van geleidelijk meer ruimte te zoeken en in te vullen, werden de verwachte ’bezuinigingen’ alvast ‘ingeboekt’. Dit was bij een dergelijke ‘grote operatie’ volstrekt amateuristisch en puur wishful thinking, leidend tot wishful budgeting.
Ten tweede ontbreekt nu de derde sfeer: die van samenleving, burgers en maatschappelijke verbanden. Juist daar ligt een belangrijke onbenutte kracht. De Jeugdsprong benadrukte niet voor niets: it takes a village to raise a child. In het huidige bestel is die maatschappelijke dimensie nog nauwelijks serieus institutioneel vormgegeven. Dat is opmerkelijk, omdat juist in de zorg en ook in het politieke midden breed wordt erkend dat goede zorg nooit alleen een kwestie is van staat of markt, maar ook van civil society, sociale verbanden en maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Daar ligt ten derde een grote kans. De basis is er immers al heel lang wel evident, alleen die kon niet gezien worden door het beperkte frame van staat versus markt dat gehanteerd werd. Dit is in de vorm van maatschappelijke ondernemingen: private non-profitorganisaties met een maatschappelijke missie en verantwoordelijkheid die publieke jeugdzorgtaken uitvoeren. Dit begrip is geïntroduceerd in de privatiseringsdiscussie in de jaren ’90 (de Waal, 2000). Die organisaties zouden veel meer benaderd moeten worden als de zelfstandige maatschappelijke en professionele partners van een mede-verantwoordelijke overheid. Nu worden zij nog te vaak in dat oude frame gedwongen om als een zogenaamde ‘marktpartij’ mee te concurreren binnen een aanbestedende gemeentelijke logica. Daarmee verzwakt het huidige stelsel precies die combinatie van professionaliteit en maatschappelijke binding en inzet, ook van andere maatschappelijke partijen als scholen, sportverenigingen, buurtteams, die de jeugdzorg nodig heeft en die de overheid nooit alleen kan realiseren. En, hoe wonderlijk, juist als je erg gefocused bent op beheersen en liefst beperken van overheidsbudgetten liggen hier grote kansen op besparing, maar dan wel op langere termijn. Misschien moet de leus van dit kabinet worden: zuiniger jeugdzorg, het kan wel!
Onder alledrie deze fouten bij de decentralisatie zit uiteindelijk een verkeerd financieringsregime, dat niet stuurt op maatschappelijk resultaat (public value), maar op kosten op kasbasis, zoals gebruikelijk bij overheid en de ‘afrekening’ tussen rijk en gemeenten. Deze analyse staat ook in een artikel van Raymond Gradus in het economenblad ESB. Juist bij goed economisch denken hoort immers ook een denken in ‘added value’: wat draagt deze investering bottom-line bij aan de hoofddoelen van de onderneming? Hij stelt daarin voor als ‘benodigde hervorming jeugdzorg’ ‘dat de decentralisatie wordt afgemaakt met een financieringssystematiek die gemeenten beloont die jeugdzorg anders inrichten en beter beheersbaar te maken. Hierbij houden die gemeenten aan het eind van het jaar een deel van het (overgebleven) budget, indien zij bepaalde maatschappelijke en zorg-doelen halen. Juist die doel en impact formulering ontbreekt nu in de wet-en regelgeving en de financiering rond jeugdzorg. Dat is dus ook belangrijker dan alleen het bureaucratische mechanisme van definitie van de reikwijdte.
Conclusie
De belangrijkste les van De Jeugdsprong is nog altijd actueel. De crisis in de jeugdzorg is niet alleen het gevolg van te veel vraag of een aanzuigende werking of te weinig afbakening. Zij is ook het gevolg van een bestuurlijke ordening waarin de professionele relatie met cliënten en hun sociale systeem te vaak ondergeschikt is geraakt aan beheer, contractering en controle. Dit is alleen maar penny wise, pound foolish.
Sinds 2021 is er veel in beweging gekomen. Maar juist daarin ligt ook het risico: dat die beweging al snel als voldoende vernieuwing wordt gepresenteerd, terwijl de kern van het systeem nauwelijks verandert. Het kabinet verbindt zijn plannen verbaal keurig aan passende hulp, hulp dichtbij het gezin en een financieel houdbaarder jeugdzorgstelsel. Het is daarom van belang om scherp te blijven toetsen of deze lijn ook werkelijk zal leiden tot ander gedrag, andere incentives, andere aanpak van jeugd problemen en een beter aansluitend jeugdzorgaanbod.
Daarom moet de inzet van het debat preciezer zijn. Niet alleen: zijn we voor stevige lokale teams? Maar vooral: wie zit er aan het roer, vanuit welke logica wordt het stelsel ingericht, welke prikkels sturen het handelen, en waar wordt professionele kwaliteit werkelijk uitgeoefend, maar ook beschermd?
Vanuit het manifest van De Jeugdsprong is het antwoord duidelijk. Een geloofwaardige hervorming van de jeugdzorg vraagt niet om nog een verfijning van decentralisatie, maar om een echte omkering van perspectief: gezinnen en professionals aan het roer, sterke en deskundige eerstelijnsteams, andere financiële en bestuurlijke prikkels, landelijke borging van kwaliteit en specialistische zorg, en een overheid die werkelijk kiest voor een stelsel dat vakmanschap, nabijheid, maatschappelijke betrokkenheid en continuïteit mogelijk maakt. Vandaaruit is het zeker zinnig om te komen tot een betere taakverdeling tussen rijksoverheid en gemeenten, maar dan – tegelijk – ook met jongeren, gezinnen en professionals!
Over de auteur
Steven P.M. de Waal, is gepromoveerd op maatschappelijk leiderschap, private personen die aantoonbaar de publieke zaak verder helpen (2014) en daarnaast onder andere uitvinder van het concept ‘maatschappelijke onderneming’ en van de ‘driehoek’ van staat, markt en civil society, zie o.a. ‘Nieuwe strategieën voor het publieke domein’, Samsom 2000 en ‘Naar een intelligente en verbonden overheid’, Manifest Public Space, 2007. Hij was betrokken bij De Tweede Jeugdsprong, gericht op kritisch evalueren wat kabinetten allemaal NIET gedaan hebben aan verbetering van jeugdzorg, ook al is het manifest aangeboden op een Malieveld vol stakende jeugdzorg professionals aan de verantwoordelijk staatssecretaris in 2021. Veel van de aanbevelingen staan nog recht overeind.
Over dit artikel is stevig meegedacht door Thijs Jansen van Stichting Beroepseer, ook co-auteur van het manifest Jeugdsprong.
Relevante bronnen
- Steven P.M. de Waal ‘Nieuwe strategieën voor het publieke domein. Maatschappelijk ondernemen in de praktijk’, Samsom 2000
- Raymond Gradus ‘Gemeenten en Rijk moeten decentralisatie jeugdzorg samen op de rails krijgen’, ESB 111(4854), 26 februari 2026, p 62- 65
- De Jeugdsprong. (2021). De Jeugdsprong. Stichting Beroepseer / FNV Zorg & Welzijn.
De primaire bron onder dit artikel. Hier wordt de kernlijn uitgewerkt waartegen wij de huidige kabinetsplannen afzetten: niet beter managen binnen het bestaande stelsel, maar een fundamentele omkering van perspectief, met gezinnen en professionals aan het roer, sterke eerstelijnsteams, minder aanbestedings- en inkooplogica en sterkere publieke en professionele borging. - Toekomst Jeugd. De samenvatting. (2021). Stichting Beroepseer.
Belangrijk als bevestigende tweede bron. Dit document laat zien dat de lijn van De Jeugdsprong niet op zichzelf staat, maar op belangrijke punten wordt gedeeld in een bredere gezamenlijke visie van jeugdexperts: stevige jeugd- en gezinsteams, meer professionele ruimte, kwaliteitsborging, een lerend stelsel en sterkere publieke regie. - Sociaal-Economische Raad. (2022). Tastbaar beleid voor de jeugdzorg. SER.
Voor lezers van dit artikel is deze bron vooral relevant omdat zij van buiten de directe Jeugdsprong-kring bevestigt dat de inhoudelijke opgave in de jeugdzorg voorop moet staan, en niet de financiële beheersing. De SER onderstreept bovendien het belang van professionele ruimte, betere toerusting van lokale teams, samenhang en sterkere regie — precies de punten waarop de huidige kabinetslijn nog tekortschiet. - Raad voor Volksgezondheid & Samenleving. (2023). Kinderen uit de knel. RVS.
Deze bron is vooral belangrijk omdat zij de bredere maatschappelijke dimensie van de Jeugdsprong-benadering ondersteunt. Problemen van kinderen zijn niet alleen op te lossen binnen het jeugdzorgdomein zelf; ook gezin, school, sociale netwerken en maatschappelijke steunstructuren doen ertoe. Daarmee ondersteunt dit advies de kritiek in ons artikel op een te smalle, stelselinterne benadering van jeugdzorg. - Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd. (2025). Groeipijn. Rijksoverheid.
Deze bron is relevant omdat zij laat zien dat ook in recente evaluaties wordt onderkend dat de huidige hervormingsagenda nog onvoldoende is. Voor ons artikel is vooral van belang dat de commissie het perspectief verbreedt van jeugdzorg naar jeugd, het belang benadrukt van lokale steunstructuren en stevige basisvoorzieningen, en waarschuwt voor een te strak financieel en bestuurlijk keurslijf. - Tweede Kamer der Staten-Generaal. (2022, 13 mei). Brief over hervormingen jeugdzorg.
Deze brief is voor dit artikel relevant omdat zij laat zien dat De Jeugdsprong ook in de officiële beleidsvorming expliciet is meegewogen. Dat maakt zichtbaar dat de huidige kabinetsplannen niet losstaan van eerdere hervormingsadviezen, maar tegelijk dat er een verschil blijft bestaan tussen het overnemen van trefwoorden uit De Jeugdsprong en het daadwerkelijk kiezen voor de onderliggende systeemomslag. - Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2026, 13 februari). Wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in internetconsultatie.
Dit is de belangrijkste actuele kabinetsbron voor lezers van ons artikel. Hier wordt de beleidslijn zichtbaar die wij toetsen aan De Jeugdsprong: scherpere afbakening van jeugdhulp, hulp dichter bij huis en een centrale rol voor lokale teams. Juist daarom is deze bron essentieel om te laten zien waar de kabinetsplannen aansluiten bij eerdere hervormingswoorden, maar tegelijk de institutionele keuze voor professionele en cliëntzeggenschap nog onvoldoende expliciet maken. - Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2026, 27 januari). Minder jongeren in jeugdzorg: staatssecretaris Tielen zet in op hulp dichtbij gezin.
Deze bron is belangrijk omdat zij de politieke en bestuurlijke framing van het kabinet samenvat. Voor lezers van ons artikel laat zij zien hoe de kabinetslijn nadruk legt op minder problematiseren, hulp dichtbij het gezin en inzet van specialistische zorg alleen wanneer dat echt nodig is. Daarmee is dit een kernbron om onze kritiek op de bestuurlijke logica van afbakening en volumesturing rechtstreeks te kunnen plaatsen. - Rijksoverheid. (2023). Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028.
Voor het artikel is dit de belangrijkste beleidsmatige tussenlaag tussen De Jeugdsprong en de huidige plannen van kabinet Jetten. De agenda bevat verschillende elementen die ook in De Jeugdsprong voorkomen, zoals sterkere lokale teams, versterking van de voorkant en betere sturing. Juist daarom is deze bron belangrijk: zij maakt zichtbaar dat de huidige discussie niet gaat over losse ideeën, maar over de vraag of de hervorming binnen het bestaande stelsel blijft of daadwerkelijk uitmondt in de systeemomslag die De Jeugdsprong bepleitte. - Voor Jeugd & Gezin. (z.d.). Stevige lokale teams.
Deze bron is relevant omdat zij laat zien hoe de kabinetslijn rond stevige lokale teams bestuurlijk en praktisch wordt uitgewerkt. Voor lezers van ons artikel is dit vooral nuttig om te begrijpen dat ‘stevige lokale teams’ niet alleen een politieke slogan zijn, maar ook een bestuurlijk programma. Precies daarom is het van belang om scherp te blijven vragen wát voor lokaal team hier eigenlijk wordt bedoeld: een professionele eerstelijnsvoorziening of toch vooral een nieuwe laag in de toegang en beheersing van zorg.
Dit artikel werd oorspronkelijk op 8 april 2026 gepubliceerd op de website van Nieuwsbrief Zorg en Innovatie.


